De broer Theo van Gogh

Een raadselachtig portret

Ken je dit schilderij? Het hangt ook in de zaal met al die zelfportretten – maar wie erop staat, is onduidelijk. Experts zijn het er niet over eens of het Vincent of Theo van Gogh laat zien. Beide broers werden beschreven als heel erg op elkaar lijkend. Een doorslaggevend bewijs ontbreekt tot op de dag van vandaag.

Het portret is ongewoon klein, waarschijnlijk beïnvloed door de fotografie, waarvoor zulke formaten typisch waren. In een brief legde Vincent het op 14 december 1885 aan zijn broer uit: En ik geef mijn idee van portretten niet op, […] om mensen te laten zien dat er nog iets anders in een mens zit dan wat de fotograaf er met zijn machine uit kan halen.“

Hiermee loopt Van Gogh vooruit op het verlangen om met zijn schilderkunst vast te leggen wat ‘is’, niet wat ’te zien is’. Voor dit doel breekt hij met de formele regels waarmee schilderstijlen worden gedefinieerd.

Zelfportret of portret van Theo van Gogh, zomer 1887
Olieverf op karton, 19 x 14 cm
Van Gogh Museum Amsterdam, Nederland

Het was Theo van Gogh die zijn broer Vincent overtuigde om schilder te worden. Hij steunde hem in alle situaties en was als kunsthandelaar in Parijs altijd op de hoogte van de schilderkunst. Tijdens zijn tijd in Parijs woonde Vincent bij zijn broer. Het was ook Theo die Paul Gauguin overhaalde om Vincent in diens gele huis te bezoeken. En ook dat Vincent aan het eind van zijn leven naar Auvers-sur-Oise bij Parijs verhuisde, was te danken aan de zorg en liefde van zijn alomtegenwoordige broer.

Theo’s zoon, Vincent Willem van Gogh, zette het levenswerk van zijn ouders voort. In de jaren 60 steunde hij de oprichting van een museum dat Van Goghs werk permanent toegankelijk zou maken, en droeg de hele erfenis over aan de ‘Vincent van Gogh Stichting’. In 1973 werd het Van Gogh Museum in Amsterdam geopend, dat tot op heden ’s werelds grootste collectie van zijn werken herbergt.

Theodorus van Gogh
gefotografeerd in 1889 in Parijs

Je ziet wat ik gevonden heb, mijn werk; En je ziet ook,
wat ik niet gevonden heb, al het andere wat nodig is om te leven.“

Brief (249) aan Theo, juli 1882